Hartdonatie. Is het zo simpel als men zegt?

Hartdonatie en -transplantatie. Weet je er voldoende van om een juiste keus te maken?

Weten we wel wat we moeten weten en kunnen we onszelf wel beschermen tegen grote nadelige gevolgen die er kunnen zijn van hartdonatie en - transplantatie die we niet zien of onderkennen?

Allereerst, de opmerking dat het niet zo eenvoudig is om in korte bewoordingen iets te zeggen over  een zo complex vraagstuk als orgaantransplantatie en -donatie. Zo simpel als het doorgaans wordt uitgelegd en besproken, is dit niet. Er is meer kennis over dit onderwerp, wat vaak niet ter sprake komt. Vaak uit angst om tekort aan donoren te houden, maar ook uit onwetendheid.

Delen van het lichaam transplanteren is al lang mogelijk. We vinden het ondertussen heel normaal dat huid, een haar, een stuk ader, bot, of een hoornvlies, of bijvoorbeeld een nier worden getransplanteerd. Maar hoe zit het met het afstaan van en het ontvangen van een meer ingewikkeld orgaan? Er is wel degelijk een groot verschil tussen de voor- en nadelen als het gaat om 'eenvoudig'weefsel of  een hoog ontwikkelde zeer complexe organen als hart, longen of lever.

Er is veel meer dan men stelt, heeft onderzocht en kan onderzoeken. Er wordt de mens een halve waarheid onderwezen. Op grond van deze onwaarheden, kun je nooit goede keuzen maken. Het doel van deze verhandeling is niet dat mensen niet meer zullen ontvangen of niet meer zullen doneren. Het gaat erom dat ieder mens recht heeft op volledige informatie, teneinde een juiste keus te maken, hoe deze ook voor die unieke persoon zal uitvallen.

in deze uitleg zal ik het met name hebben over de donatie en het ontvangen van een menselijk HART.

De ziel vormt zich een lichaam van vlees en bloed,  precies zoals dit lichaam het beste de ziel in haar groei tot meer kennis van waarheid en liefde kan dienen. In organen die een complexe functie hebben, en die onmisbaar zijn in het menselijk lichaam zetelt daarmee een even zo complex bewustzijn. Hoe belangrijker een orgaan voor het lichaam is, des te meer bewustzijn er in dat orgaan is. Ieder orgaan drukt weer een anders stukje van de allesomvattende liefde uit. Het meest belangrijke onmisbare orgaan is het hart. Hier zetelt het hoogste bewustzijn, wat voor de mens mogelijk is: Het besef van en het willen uitdrukken van de werkelijke onbaatzuchtige liefde. Omdat deze zuivere liefde de kern is van het leven, het leven zèlf is, is het bewustzijn uit het hart onmisbaar voor de ziel. Buiten deze hoogste liefde, die alleen dus in het hart ontwikkeld kan worden, is eigenlijk niets van betekenis en heeft op zich niets levenskracht. Alle andere eigenschappen en hoedanigheden komen immers voort uit de liefde. Daarom begint het leven inhet hart, met het kloppen van het hart. Door het hart verdeelt zich het bewustzijn, maar ook de materiële stoffen ( zuurstof, bloed) door het lichaam. Zonder die klop van het hart is er dus geen circulatie en is het lichaam niet levensvatbaar of sterft dat lichaam. Alle andere organen worden gevoed vanuit het hart. Ook de hersenen, het verstand enz. worden dus vanuit het hart gevoed. Het hart is dus begin en eindpunt van leven.

Ook de longen (het vermogen tot in ons opnemen van levenskracht, dat ons het vermogen geeft continue bewustzijn te verzamelen (via zuurstof) en het ruimte innemen daartoe, en de lever, die de mens leert te onderscheiden wat goed en kwaad voor deze mens is, zijn van groot belang om te kunnen leven en kunnen ook eigenlijk niet zonder veel pijn, moeite, kunst en vliegwerk worden getransplanteerd.

In het hart ligt  dus alle bewustzijn van wat de hoogste vorm van onvoorwaardelijk liefhebben werkelijk betekent. Het  gaat erom  in het leven zoveel mogelijk bewust te zijn van wat  de bedoeling van het leven is. Dat alles om de liefde gaat. De ziel  doet hoe dan ook tijdens het leven, ervaring op omtrent wat liefde nu is of zou moeten zijn.

Wanneer de ziel heeft geleerd, wat haar doel was, heeft het lichaam geen nut meer, zal het hart ophouden te kloppen, sterft de mens en is gedaan, wat mogelijk was en vervolgt de ziel haar ontwikkeling in nog meer eigen maken en delen van zuivere liefde, in het geestelijk leven. Alles wat de ziel aan innerlijke, geestelijke  kennis (liefde) heeft opgedaan, gaat met haar mee, omdat immers alle dingen die geestelijk zijn, blijven bestaan. Dit kan niet gebeuren, wanneer het hart in een ander voortleeft.

De donor moet het dus doen, zonder de kennis, ervaringen die op  het gebied van de onvoorwaardelijke liefde is geleerd en beleefd. Dit heeft voor de donor grote, niet door mensen te overziene gevolgen. Immers, de mens komt op aarde om juist de hoogste vorm van liefde eigen te maken om zo weer (zoveel mogelijk) één te worden met haar Bron, die onvoorwaardelijke, volmaakte liefde is (God) en waaruit zij voortgekomen is. De ziel mist dan dus het kardinale punt. In de geestelijke wereld heeft een mensenziel geen herinnering als hij zijn oorspronkelijke hart niet meer heeft. Dat bewustzijn is dan bij die ander. De overleden mens is zich dus niet meer bewust van wie hij was en waartoe hij was en wat het hoogste in zijn leven was en is.

Deze overleden mens mankeert dan dus het meest eigene, het leven, de liefde zelf!

Deze liefde is de enige stuwende kracht die het leven geeft en het leven is en ook het doel van alle leven. De liefde is de enige scheppende kracht. Deze zet het hart aan tot kloppen. De energie die het hart doet kloppen, is het leven zelf, de liefde, of te wel God. Daarom zegt men ook niet voor niets dat God het leven is en geeft.

Voor de donor betekent het in geplaatst krijgen van een ander zijn hart,  een ‘niet bewust zijn van de dingen die in liefde zijn ervaren en geleerd. De ziel mist dus haar wezen, wat eigenlijk niet kan, maar waardoor de ziel dus ‘dood’ (onwetendheid) ervaart.

De liefde is dat, waardoor de mens leeft. Deze levensimpuls doet de mens leven. Daarom is ook het hart de enige plaats in het lichaam waar het leven beginnen kan. (het hart is de woonplaats van God.  In het hart is het vermogen van liefhebben. In het hart is de enige ware kerk, waarin de eredienst wordt gehouden, of te wel, in het hart is er het vermogen tot liefhebben. De liefde doén en begrijpen en willen is ‘het loflied dat men zingt ter ere van de Scheppe’r van het leven. Liefde doet leven.  Zonder liefde is er niets. Zonder liefde is er geen leven. Zonder liefde is er onwetendheid, omdat alleen uit werkelijke liefde zoals die bedoeld is, alle kennis van het enige ware is gelegen.

Zonder liefde (licht)  is er niets. Zonder liefde is er geen leven, dus dood. Zonder God is er geen schepping. Alleen de liefde kan iets tot stand brengen. Zonder liefde is er immers niets. Buiten God is er niets. Zonder liefde, verbinding met God, is er geen schepping, dus is er doodsheid, dus onwetendheid, dus donkerte, dus geen bewustzijn. Geen bewust zijn.

In het hart ligt de impuls tot samentrekken van het hart (sinusknoop), waardoor het lichaam gevoed wordt met levenskracht (bloed is drager van de ziel). Niet in de hersenen of waar ook begint het leven. De hersenen kunnen alleen hun taak verrichten, doordat het bloed  vanuit het hart hen voedt. De liefde voedt de materie. Geest is de basis van alles wat is. Het lichaam voert uit wat die geest wil.

Het is dus zaak om die geest te kennen, te willen gebruiken, te leren herkennen, zodat het lichaam de meest juiste opdrachten krijgt. Het hart geeft de opdrachten aan de hersenen. Het verstand dat ontwikkeld is op grond van karakter, aanleren, voorbeelden en ervaring geeft dus met een bepaalde intentie vanuit het hart de opdrachten aan de hersenen. De hersenen geven de opdrachten door aan het lichaam en diens lichaamsdelen, zodat het lichaam uit kan voeren wat de ziel wil.  Een mens moet het onderscheid tussen wat uit het hart komt (en wat waar en goed is) en wat uit het verstand en de materie komt (en wat niet altijd goed en waar is), goed leren kennen, al zo vroeg mogelijk in de jeugd. Een intelligent verstand is een verstand dat verlicht, gevoed, verruimd is door harstsintelligentie. De mate van liefde die een mens zoekt en kiest, bepaalt de kwaliteit van hersenintelligentie.

Het hart van een mens bevat het unieke, het meest wezenlijke van die unieke mens. Dat wat het hart wil en inhoudt en heeft geleerd, past onvoorwaardelijk bij die mens, voor de hele eeuwigheid, omdat een mens immers onsterfelijk is naar geest en ziel. Mist een mens zijn hart, dan zal hij dus niet bewust zijn in zijn geestelijk leven na de dood. Hij leeft dan wel, maar kan er niets mee en lijdt zoals hij ook op aarde al leed.

De impuls van het leven is de impuls die de liefde (het hart) geeft aan de materie (het lichaam), zodat deze ook liefde opdoet en daarmee levensvatbaar wordt. Zo ontwikkelt alle materie zich steeds tot een hogere vorm van bewust-zijn, waar steeds meer het vermogen tot liefhebben aanwezig is. De mens is sluitstuk van deze ontwikkeling.  De mens dient te leren lief te hebben in een zo zuiver, onbaatzuchtig mogelijke wijze, en dit wel uit vrije wil, wat hem daarmee onderscheidt van het dier. Op wie de mens zijn liefde  richt, ervaart diegene de liefde, waardoor deze ook liefde kan leren kennen, het kan opnemen en het kan uitzenden. Liefde voedt het leven. Is het leven zelf.

De mens komt op aarde met het doel zoveel mogelijk liefde eigen te maken, waardoor zij des te meer heelheid zal ervaren. Zij komt hiermee eens weer, volmaakt terug in het bewustzijn van dat alles liefde is. Het doel van de mens is ervaren van eenheid en heelheid in een en dezelfde Bron, de liefde, of te wel God.

Uit de bouwstenen van de ervaren en eigengemaakte kennis over wat liefde was en dit gegeven hebben, wordt het etherische lichaam en de wereld waar de ziel zich in zal bevinden na dit lichamelijk leven, gevormd. Heeft de mens geen liefde (al zou dit mogelijk zijn), zou er geen geestelijke wereld gevormd kunnen worden uit het geven en ontvangen van deze liefde. Zonder de liefde is immers niets. (zo’n leven zonder liefde noem je ‘hel’. Dit is dus een staat van bewustzijn waar niet de liefde is (onwetendheid)).

Liefdeloosheid - zijn zonder liefde - heeft tot gevolg dat de ziel gebrek lijdt en wel in ernstige vorm. Zij mist immers het hoogst wezenlijke dat deel uitmaakt van wie zij was, is en zal zijn.

In geval van hart donatie, is er het geestelijke dat zich bindt aan het lichamelijke zolang dit lichamelijke nog (ergens) (in de donor )) leeft. Zolang bewustzijn niet is teruggewonnen uit het materiële hart, blijft dit dus bij het hart wat nu dan behoort aan de ontvanger. Deze ontvanger is bij de operatie dan wel met bloedvaten enz. aangesloten op het nieuwe hart, maar niet met zijn ziele - lichaam. Daarbij ‘hangt’ het bewustzijn van de donor nog aan dit hart. Afstoting, wat altijd van nature plaatsvindt is een poging van de ziel om het haar vreemde bewustzijn te weren. Dit vreemde bewustzijn wordt daarmee van nature behouden voor de donor, die het leven daarmee voort kan zetten met het bewustzijn dus, wat misschien wel met veel pijn en moeite tijdens het aardse leven is geleerd, verzameld en gegeven. Daarbij horen ook alle ervaringen (bewustzijn) uit andere, eerder levensomstandigheden, levensvormen die hoe dan ook, waar of wanneer dan ook zijn opgenomen. Ook bewustzijn dat verzameld is door ondenkbaar lange tijden van ontwikkeling voordat de mens, mens op aarde werd.

Door anti afstotingsmedicatie, wordt het lichaam dermate materieel (deze medicatie is immers zelf super materieel (chemische, synthetisch)), dat de  herkenning van wat past en niet past, niet meer kan plaatsvinden. Het lichaam wordt gedwongen het vreemde bewustzijn te aanvaarden, omdat het lichaam, maar ook de eigen ziel, die vast nog lang niet in staat is om geestelijke dingen en hun gevolg te overzien, niet meer herkent dat de vreemde lichaamscellen niet passen. Bewustzijn wordt nu dan opgedrongen. Dit is sowieso fout, omdat waar dwang is, geen liefde is. En juist hier gaat het juist weer om……..

De ontvanger kan in grote geestelijke nood komen, wanneer bewustzijn, (ervaringen, kennis)  ‘eigen’ moeten zijn, maar gevoeld wordt dat dit eigenlijk niet zo is, omdat vele dingen vreemd zijn, onherkenbaar en zelfs ongewenst kunnen zijn. De persoonlijkheid kan wel degelijk in zeer grote mate veranderen. Dit kan leiden tot grote identiteitscrises voor betrokkenen maar ook voor familieleden en vrienden! De wens om toch maar niet getransplanteerd te zijn, de wens om maar dood geweest te zijn, of de wens alsnog alsjeblieft dood te gaan, ziet men veelvuldig voorkomen, juist, bij harttransplantaties.

Vooral wanneer bewustzijn van de donor in liefde ‘minder’(beter gezegd, anders) was, kunnen er grote  negatieve gevolgen  worden ervaren door de ontvanger. Wel zou het kunnen zijn, dat wanneer de donor méér liefde en inzicht had daaruit (immers alle inzicht in het ware goede, kan pas voortkomen uit een leven in zo veel mogelijk zuivere liefde), de ontvanger daar iets goeds mee zou kunnen doen. Immers er kan nu worden geput uit kennis van liefde die voorheen voor de ontvanger er niet was. Wanneer het bewustzijn van ontvanger en donor te veel zal verschillen zal ook de anti afstotingsmedicatie niet kunnen voorkomen dat het hart alsnog wordt afgestoten.

Het blijft dan nog wel zo, dat de donor moet leven zonder de kern van zijn zo zijn (de liefde en kennis daaromtrent) en moet wachten tot het hart weer ‘ vrij’ komt. daarover.  Afstoting is dus dubbelerg, want én ontvanger én donor hebben geen baad bij de transplantatie. Er is voor de donor een zijn zonder liefdesbewustzijn zolang de ontvanger leeft, omdat dit vermogen nog is bij de ontvanger.

De donor heeft een groot offer gebracht.

Het ‘goede’(maar doorgaans niet beoogde overlijden) van de ontvanger is dat deze bij afstoting overlijdt, waardoor deze mens vrij komt en verder kan gaan met zijn geestelijk leven en daar de weg vindt naar de liefde, waar deze er nog niet voldoende was. Het lijden, het doormaken van alles wat met ziekzijn, getransplanteerd worden en getransplanteerd zijn, revalideren en ook weer in zekere zin herstellen en weer ziek worden, zijn toch ook weer leerprocessen, waardoor de mens alsnog mogelijk het leven anders – met meer geduld, inzicht, liefde, goede wil, enz. – heeft kunnen invullen en uiteindelijk het leven op aarde heeft durven loslaten. Het hele proces is dus een omweg, maar ook een weg tot nog weer even iets leren, al werd dit uit de weg gegaan. Een mens denkt soms iets te winnen, maar wint niet dat wat hij verwachtte, maar wint iets wat hij eerder niet wilde, zocht of kende.

Het kan zijn dat toch ook deze dingen allemaal zo moeten zijn. Er is als het goed is (!) gekozen voor donatie en ontvangen, uit vrije wil. Ieder mens heeft recht op deze vrije keus en deze dient altijd gerespecteerd te worden. De vrije wil is het hoogste goed van welk mens dan ook.

(zie hier het gevaar en schadelijkheid van de eventuele wet op vanzelfsprekende ter beschikking stellen van organen, waarbij alleen een schriftelijke nee-verklaring er voor zorgt (!?) dat organen niet worden gebruikt).

Veel onnodig leed kan worden voorkomen, wanneer de mens zich ontwikkelt in wat werkelijk goed doen is. Wanneer een mens uit angst het leven wil behouden, zal ook de keus wel of niet te ontvangen of te doneren, gebaseerd zijn op deze angst. Het gevolg van de keus uit angst is nooit goed, omdat wanneer de basis niet goed of zuiver is, ook het gevolg niet anders kan zijn. Onnodig lijden is dan het gevolg.

Zolang de mens niet weet dat hij in wezen liefde is en hij niet weet dat hij gekomen is om de weg van liefde te gaan, zoveel mogelijk als dit in zijn unieke vermogen ligt, zal de mens niet het begrip van wat zuiver onvoorwaardelijke liefde is, kunnen ontwikkelen. De mens is gekomen om zijn ziel te ontwikkelen in geestelijke dingen, met behulp van materiële. Deze materiële dingen zijn echter voor de meeste mensen tot doel geworden. Deze mens stelt zich dus een materieel doel in plaats van een gééstelijk doel. Deze mens zal daarmee de veronderstelling hebben, dat een materieel leven ‘je van het’ is en alle aandacht verdient.

Deze mens zal het lichamelijk leven niet durven loslaten, omdat hij niet weet dat de totale liefde in vrijheid hem wacht na dit lichamelijke leven. Hij houdt het leven vast en weet daarmee niet dat het innerlijk leven - dat liefde is - hem voor díe tijd ontglipt. Hij zal dan moeten leven met de beperkingen die zijn onwetendheid hem brengen en zal snel verstrikken in de schijnwaarden die de materie hem biedt. Wanneer hij dit van harte zo kiest omdat zijn hart hem dit zo doet willen, zal zijn mate van liefde in dit hart hem doen ervaren hoe groot zijn liefde was.

De mens oordeelt zichzelf tot lijden al naar gelang de maat van liefde hem brengt.

Ieder mag willen wat hij wil, maar verzwaart zijn leven, wanneer de kennis van wat werkelijk de bedoeling is van zijn zo zijn, hem ontbreekt. Lijden is gevolg van onwetendheid. Gevolg van onvolmaaktheid. Lijden hoort bij het mens zijn, dus bij het van het zich afgescheiden voelen van de heelheid.

We zoeken de heelheid in ons lichaam, niet beseffend dat de heelheid in onszelf ligt, omdat de heelheid van de geest niet meer wordt ervaren omdat we ons focussen op de materie. We verdelen, we oordelen en zien onszelf al  déél van ‘iets’. We ervaren onze heelheid (God) dus niet meer. We zijn verdeeld en zaaien daarom verdeeldheid. We weten niet eens meer dat onze geest, ziel en lichaam een eenheid zijn en geven alle aandacht aan alleen maar ons lichaam. We zoeken God buiten ons, niet beseffend dat deze Kracht in ons is en wacht op uitdrukking ervan, volgens ons eigen unieke zijn.

We zijn hier op aarde, juist om te leren dat niet de eigenliefde ons gelukkig maakt, of de liefde voor de materie, maar dat alleen de liefde voor de ander vanuit de liefde voor ons diepste wezen, dat onze Bron is, ons gelukkig zal maken en ons doet ophouden slaaf van ons lichaam, of de materie in het algemeen te zijn.

We leren allemaal met vallen en opstaan en ieder heeft het recht om zijn leven te leven zoals hij dit kiest. Zolang een mens denkt echter niet te kunnen kiezen en denkt dat hij slachtoffer is zal hij verantwoordelijkheid bij een ander, bij de wereld, bij de asbest, de zon, de tumor, erfelijkheid, bij God neerleggen en zal hij pijn hebben in het groeien naar liefde, omdat hij veel in zijn leven niet als liefde herkent. Zolang de mens denkt dat hij alleen maar een lichaam is, zal er de angst zijn om dit te verliezen.

We zouden moeten durven doodgaan. We zouden er beter aan kunnen doen, ons beter op de hoogste te stellen van innerlijke dingen. Van geestelijke dingen dus, in plaats van alle zorg voor het lichaam.

Doodgaan van ons lichaam, maakt de ziel los ervan en stelt de ziel in vrijheid, in het ervaren van de liefde die we hebben gezaaid. We zullen oogsten wat we zaaiden. Hoe we dit deden is niet van belang. Alleen dat we het deden in zoveel mogelijk liefde (en dus echtheid) is van belang.

We worden allemaal gedreven door onze persoonlijke  mate van liefde en inzichten daaruit die weer worden bepaald door onze ervaringen en aard en karakter, opvoeding enz.. We hebben allemaal de wil om het goede te doen, al zien we allemaal het goede weer anders. We hoeven alleen maar nog meer liefde toe te voegen, om beter begrip te krijgen van wat werkelijk bedoeld is met onvoorwaardelijke liefde, om volmaaktheid des te meer te gaan ervaren.

Doodgaan is een afsluiting van een leerperiode. Wanneer we ons best hebben gedaan om zoveel mogelijk naar het hart (naar de kern van de zaak, naar de Bron,) te leven - zover dit in onze aard en vermogen ligt - is alles goed. Wanneer mensen zich menen te kunnen bewegen op grenzen van leven en dood, moet zijn liefde volmaakt zijn. Hij zou dan heerser zijn over dood. Toch blijkt dit niet zo te zijn, en zal dit ook nooit zo kunnen zijn, want wanneer de mens zijn liefde volmaakt zou zijn, zou er geen lijden, ziekte en pijn zijn en… zou hij geen mens op aarde zijn!

Daarom moet het zo zijn, dat de Liefde nooit bedoeld heeft dat aards, lichamelijk leven steeds maar verlengd wordt. Het is voor de ziel immers een bevrijding, wanneer natuurlijke dood plaatsvindt. De ziel komt dan thuis in haar wereld, waar geest is, waar dus geen verdeeldheid is, geen pijn en lijden. Let wel: het gaat om een natuurlijke dood, want wanneer iemand zelf beslist om een eind aan zijn leven te maken terwijl er nog allerlei kansen zijn is hij niet rijp om totaal bevrijd het geestelijk leven in te gaan. Zijn leven daar zal hetzelfde zijn zoals dat op aarde was. Immers… er zijn geen nieuwe inzichten, geen andere leefstijl gekozen en verkend. Een gevelde boom blijft liggen zoals hij is gevallen. Hij loopt niet ineens zomaar weer uit…

We blijven steeds langer in de wereld van verdeeldheid en scheiding, naarmate we bang zijn voor de liefde en de geestelijke wereld waar we liefde kunnen ervaren, wanneer we daar vanuit hebben gekozen te leven. We willen het niet horen, maar het geestelijke leven is het doel. Niet een zo onbezorgd, lang, gelukkig mogelijk materieel, lichamelijk leven. We kunnen er beter voor zorgen, om te leren, zo veel mogelijk naar de geest van de liefde te leven. Dit is het enige waardoor ons lichaam zo gezond mogelijk, zo oud mogelijk onze ziel in staat kan stellen de lessen te leren die er voor ieder persoonlijk weer anders, te leren vallen. We kunnen ze niet uit de weg gaan, al denken we in onze hoogmoed van wel.

We hoeven het leven dan niet meer kost wat kost vast te houden en nemen we ook donoren niet mee in onze zucht naar langer willen leven. Lijden zal beperkt worden als we ons meer gééstelijke doelen stellen en van hieruit ons leven leven.  We zullen dan beter weten ( inzien en willen) wat echt nodig is voor groei van de ziel. We laten onszelf en anderen vaker onnodig lijden, vanuit onwetendheid, al is onze bedoeling heus wel goed. We willen allemaal wel het goede, maar weten niet wat het goede uiteindelijk is. We denken dat het verstand de oplossing weet, maar zijn vergeten, dat alle oplossingen in geestelijke dingen, in de onbaatzuchtige, onbeperkte liefde liggen, die begint in het hart.

Wanneer iemand uit liefde beslist langer te leven, om iets dat zojuist geleerd is nog in de praktijk te kunnen brengen, alsnog iets goed te maken, recht te zetten, uit te werken, of wat ook, met behulp van een donororgaan, is dit de eigen verantwoordelijkheid en goed recht. Al is deze weg ook een omweg, die lijden zal zijn en zal brengen is deze weg ook goed, wanneer dit de groei van de ziel van deze mens dient en ook de groei dient van daarbij betrokkenen. Daarom dient niemand te oordelen. Ook deze transplantatie kan van nut zijn. Misschien wel dankzij het offer dat de donor heeft gebracht.  Misschien was dit offer, de ervaring van wat het is te moeten leven in donkerte, zonder liefde en kennis en ervaring van wat het wezen is van Het Zelf, wel de impuls voor de nu overleden donor, om te zoeken naar de Bron. Ook dan heeft deze keus zijn nut gehad.

Wat ook belangrijk is, om zich af te vragen is of het zin heeft te bepalen wie wel of niet te jong  is om te sterven. We oordelen met uiterlijk verstand, maar niet met de allesomvattende, overziende, alwetende liefde, die wel weet waarom en waartoe de dingen zijn en moeten zijn.

Maar niet te spreken over het ondoenlijke, te beslissen over wie recht heeft op welk hart.

Wie heeft meer recht op een hart: de oude mens (wat is oud), de jonge vrouw met kinderen, of de veelbelovende, veel geld kostende en geld opleverende prof-voetballer?

Wordt de evolutie in wat werkelijk liefde is niet gestagneerd, doordat mensen hun levenskansen ‘weggooien’ door verkeerd leven (leven, anders dan je bedoeld bent te zijn volgens de liefde), het lichamelijk leven vasthouden en ook de ziel in het geestelijk leven hierna blootstellen aan een donker leven waar geen begrip meer is van wat liefde is? Dit heeft ook mogelijk tot gevolg dat de totale schepping niet optimaal geholpen kan worden in de weg vooruit (naar de liefde dus, naar de heelheid, het weer terugkeren in de Bron), doordat vele zielen langer dolen in onwetendheid, niet-liefde, dan nodig was geweest.

Is het wel zo dat de mens leert van de transplantatie en wat er allemaal bij komt kijken? Wordt de ziel milder, verandert de mens wel zijn levensgewoonten, die mede geleid hebben tot het ziek worden? Wat als iemand maar ongezonde dingen blijft nemen en doen? Dan straks weer een ander orgaan? Is de transplantatie wel een echte nieuwe kans of  een (weer)  niet-hoeven- voelen , niet-hoeven-veranderen, een niet-hoeven-weten en een niet-hoeven-doen? Wordt een mens wel bepaald bij de karakter- en leefstijlfouten?

Vervalt de patiënt niet snel weer in de oude gewoonten na de transplantatie omdat immers  makkelijk gezegd ’de buit toch binnen is’?

Kan de donor eigenlijk wel doodgaan? We kunnen niet eens het juiste moment van overlijden vaststellen, zolang het hart kloppende wordt gehouden. We verlengen het lijden van de donor.

Wat te denken van de nabestaanden, die niet bij het échte stervensmoment van de donor kunnen zijn, nog niet te spreken van het vervelende gevoel afscheid te moeten nemen van een ‘dode’ die nog niet dood is?

Wat te denken van de hersendode die niet meer via het lichaam kan laten weten wat hij wil en voelt? Hij kan immers - nu de hersenen 'dood' verklaart zijn - niet meer zijn lichaam opdracht geven. Ja, hij zou het kunnen, hij wil het wel, maar kan via de hersenen niet meer de ledematen bewegen, niet meer praten, of welk sein dan ook geven! Hij is alles nog gewaar. Ook dus de pijn! Ook de angst om wat men aan het regelen is.  Deze mens weet op dit moment pas, dat hij nog gewaarwording heeft, terwijl hij doodverklaard is. Eerder leek hem dat geen probleem en wilde hij graag zijn organen goedbedoeld geven. Nu beseft hij pas dat hij nog LÉÉFT, zij het minimaal, omdat zijn lichaam op dit moment wel heel ziek is, of zelfs stervende is. Hij wil artsen of familie waarschuwen, maar hij kan het niet! hoe machteloos moet hij zich voelen en hoe angstig moet hij zijn om de voortijdige dood, het klinische proces, waarin hij toeschouwer is, maar geen deelnemer. Hoe erg moet hij angstig zijn voor de pijn die hij zal voelen, omdat hij immers nog leeft. Er zijn voor wie dit wil voldoende verhalen te lezen van mensen die er wél in geslaagd zijn om een minimaal teken te geven, waardoor de aanwezige persoon geattendeerd werd op het feit dat de hersendode nog leeft! Lees de verhalen van mensen die hersendood verklaard waren, van hun familie en wat er gebeurde.. Leer ervan, dat het niet klopt wat wetenschappers zeggen. Ze stellen dat iemand die hersendood is, geen gewaarwording heeft, en ook niet kan hebben omdat hij dood is. Maar... hoe kun je organen nemen van een dode? Immers, het bloed is meteen gestold, waardoor het orgaan niet meer te gebruiken is. Waarom krijgt de hersendode narcose? Hij voelt toch niets meer?

Wat dus te denken over het pijngevoel dat de ziel van de donor die hersendood verklaard was kan hebben? Immers, zolang het hart nog klopt of kloppende gehouden wordt, kan de ziel niet uit het lichaam vertrekken. Alle pijngewaarwording zit in wezen in de ziel. Wat met het lichaam wordt gedaan, of wat zich afspeelt ronde hersendood verklaarde mens, ervaart de ziel, zolang zij met haar lichaam verbonden is.

De mens is pas dood, wanneer het hart niet meer klopt. Dan is het echter niet meer mogelijk organen te benutten ter transplantatie, omdat wanneer het hart ophoudt te kloppen, het bloed meteen stolt en de cellen al gaan degenereren (ontbinden). Daarom moet de mens ‘eerder’ doodverklaard worden. De wetenschap maakte er dan maar van dat de hersenen het begin en eindstation van het leven zijn. De wetenschap die het verstand, de materie opwaardeert, degradeert de geest - zo zij hier al in gelooft - niet meer als de motor, bezieling van alle leven.

De wetenschap zou echter moeten weten, dat aan alle dingen twee polen zijn, die elkaar voeden en in stand houden en uit elkaar voortkomen.  Wetenschap weet dat er altijd, in alle gevallen twee kanten van iedere zaak moeten zijn. Namelijk een zichtbare, tastbare, eindige, uiterlijke (materiële) die we kennen en dus dan ook een niet zichtbare, niet beperkte, niet tastbare, innerlijke (geestelijke) kant, die we dan wel misschien niet (willen) kennen, maar er dus hoe dan ook moet zijn.

De wetenschap zou moeten willen erkennen, dat de geest de basis moet zijn van de materie en dat de materie nóóit de basis zou kunnen zijn van al wat is. Dit om de doodeenvoudige reden, dat iets dat beperkt, eindig (materie) is, nooit iets volmaakts, oneindigs (geest) teweeg kan brengen. Zo moet het dan ook zijn, dat het leven nooit in de hersenen, maar alleen in het hart kan beginnen, en dat dood dus pas dood is, wanneer het hart niet meer klopt.

Zolang dus organen worden uitgenomen uit de hersendood verklaarde mens, moeten we ons wel beseffen, dat deze mens nog gewaarwordingen heeft en niet dood is!  Een vraag is of wij ook aan deze vorm van (groot) lijden willen meewerken, door zelf een orgaan te willen ontvangen……..

We kunnen denken de medemens van dienst te zijn, door organen beschikbaar te stellen. Maar wat is werkelijke hulp? Is echte hulp hulp dat er toe lijdt nog meer te lijden, als ontvanger maar ook dus als donor? Is levensverlenging ook een voorwaarde tot innerlijke groei? Is lichamelijk welzijn het opperst geluk, of is dit een tijdelijk beperkt geluk, tegenover een oneindig geestelijk innerlijk geluk van de ziel, die pas inziet waartoe iets was, het leven was, wanneer zij het lichaam heeft losgelaten, dat tot dan de ziel in staat stelde ervaring op te doen, maar nu overbodig geworden is? Worden mensen niet tegengehouden, om vrij te worden van pijn en moeite? Komt dit weer niet voort uit eigen beperkt idee over wat nu leven en dood precies is?

Het is niet voor niets zo dat al sinds de mens bestaat dwingende adviezen gegeven zijn, via innerlijk weten, contact met engelen, Gods stem in een profeet (ook nu nog), via geïnspireerde schrift, enz., in allerlei religies, hoe de mens eigenlijk een leven kan leiden met zo min mogelijk pijn en moeite.

Deze basisregels zijn, om God (De Liefde, de Waarheid, De Wijsheid) zoveel mogelijk lief te hebben, boven je ego, en daar vanuit de medemens zover dit mogelijk is. Het komt neer op een uiten van een uniek stukje God, in ieder mens weer anders vorm te geven. Niemand oordele over hoe dit het beste kan of moet. Niets moet. Alles mag, wanneer dit vanuit de hoogst zuivere liefde wordt gewild. Wanneer deze hoogste liefde er niet is, waar mensen niet meer leven naar de hoogst mogelijke vorm van liefhebben, begint het lijden.  Het is zaak, dat een ieder zo bewust mogelijk is van het geestelijke wezen dat hij is en van zijn Bron, waaruit hij afkomstig is en ook naar onderweg is en weet dat deze Bron, God, de Liefde, in hem is, maar ook in de medemens. Deze Bron ligt in ieder als kiem aanwezig en dient ontwikkeld te worden, waaruit alle kennis openbaar zal worden om het leven zo goed mogelijk te leven. Alleen de liefde is de weg daartoe, hoe deze weg ook zal zijn. Orgaandonatie kan een weg van liefde zijn, maar ook niet. Het kan in bepaalde gevallen lijden verlichten, geestelijk en materieel, maar ook dus juist helemaal niet!

Het gaat er niet om voor iemand te bepalen wat het beste is. Het gaat erom dat ieder mens de hoogste vrijheid heeft en houdt om zijn eigen keus te maken. Dat moet dus zo blijven. Het is zeer liefdeloos het gevoel te krijgen verplicht te zijn om een orgaan te doneren. Het is zeer liefdeloos om mensen niet goed voor te lichten.

Sonne Hoover

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *