Waardoor, waarvoor ziekten en ander ongemak ?

Hoe kunnen we ziekte en allerlei problematiek voorkomen of mogelijk zelfs genezen?

Mensen zijn ondertussen heel bedreven in het behandelen van allerlei ziekten en kwaaltjes. Techniek staat voor niets. Je zou kunnen zeggen dat het moeilijkste niet meer zo bijzonder is. We lijken wat verwend te worden, want al kunnen we niet alles oplossen, er is toch al zoveel meer mogelijk.

Waar je vroeger de schrik om het hart sloeg bij de diagnose kanker en genezing niet mogelijk leek, zijn er nu veel behandelingen die goed gevolg hebben, al zijn de behandelingen zwaar, uitputtend en kun je er soms ernstige complicaties door oplopen, waardoor de levenskwaliteit er niet altijd beter op wordt, al is de ziekte verdwenen!  Allerlei aanpassingen zijn mogelijk waardoor levens

Omdat we zo ondertussen zoveel remedies van allerlei soort hebben, bestaat er ook een kans dat we niet meer zo stil staan bij waarom, waardóór er in principe eigenlijk een ziekte is ontstaan en welk nut hierin zou liggen. Willen we in deze tijd van materiële belangen, zienswijzen en leefstijl eigenlijk nog wel horen dat ziekte zin kan hebben en altijd (op de keper beschouwd) door iets gééstelijks is ontstaan? Zelfs ongevallen, oorzaken van buitenaf, belasting vanuit het verleden, een ‘toevallige ’situatie, hebben gééstelijke wortels. Alles wat er is, kwam ooit éérst eens ergens ‘van binnenuit’. Gedachten, overtuigingen, ideeën, bepaalde kennis, opvoeding bepalen hoe we ons gedragen, wat we doen, wat we willen, hoe we leven en wat er uiteindelijk gebeurt.

Helaas zijn we echter de verbanden die er tussen innerlijke en uiterlijke dingen nu eenmaal bestaan, helemaal uit het oog verloren. We zijn onwetend geworden van die samenhangen, oorzaken en gevolgen. We denken het uiterlijke te ‘weten’, te kennen, maar weten niets meer over de  gedragingen van de geest, die uiteindelijk manifesteert in gezondheid, geluk, welvaart of ongezondheid, ongeluk, en ‘pech’. We kunnen materiële dingen met ons materiële hersenverstand onderzoeken en bewijzen, maar kunnen dat niet, nooit en te nimmer doen met gééstelijke dingen.

Geestelijke ‘dingen’ zijn immers niet materieel en dus niet te onderzoeken, laat staan te bewijzen! Daarom is het dat er in onze materiele (denk) wereld amper plaats is voor gééstelijke aspecten van alle hoe, waarom en waartoe in de wereld, dichtbij, ver weg, toen, nu of in de toekomst. We hebben niet door, dat ons denken onze toekomst bepaalt. We hebben niet door dat wat we willen, waar we bang voor zijn, wat we geloven, gebeuren zal, wanneer en in welke vorm of hoedanigheid dat ook zal zijn!

We bekijken geestelijke dingen door het oog van de psychologie, religie, filosofie, maar kennen niet meer de zuivere adviezen en intenties in de ene gééstelijke leer van de allesomvattende liefde, waarop alle gezondheid en welvaart is gebaseerd.

We noemen mensen ‘geestesziek’ als hun ‘hoofd’ niet op orde is, en bekijken niet meer met de kennis van het hárt (gééstelijke kennis dus), maar middels verstandelijke kennis in de vorm van psychiatrie, farmacie hoe we deze mensen kunnen helpen. De kracht van de geest is ons niet zo goed bekend. We zoeken die kracht niet meer in onszelf of… die kracht in onszelf heeft zo’n deuk opgelopen, dat we daar een verkeerd beeld over hebben of niet meer geloven in de waarde van en kracht in onszelf. De kracht van de liefde en de kennis over wat waar of goed is, durven we niet meer los te laten op de wirwar van bijzonderheden, leed, pech, narigheid, misstanden die we tegenkomen.

We geloven niet eens meer dat er een gezond leven mogelijk zou zijn en  lappen - oneerbiedig gezegd - het zwakke en zieke zo goed en kwaad als het gaat op zodat het nog wat lijkt of leefbaar is,  kijken maar niet meer naar de wórtel van de misstanden, omdat we er geen gat meer in zien en geen fut meer overhebben om ook deze dingen op de schouders te nemen en  we er al lang niet meer in geloven.

We maken geen onderscheid meer tussen psychiatrische ziekten en zielsziekten. De ziekten die horen bij de eerste groep zijn wel bekend, al is het maar in de DSM en studieboeken Pathologie, Psychiatrie uitgebreid beschreven. Wat het onderscheid tussen zielsziekten, geestesziekten, of (lichamelijke) ziekten nu eigenlijk is, is ons niet zo goed bekend. Ook gebrek of teveel aan  ’stofjes’, dat een probleem of ziekte veroorzaakt, heeft uiteindelijk gezien een gééstelijke oorzaak!

Wanneer is iemand nu ziek? Is een mens ziek door verkeerd begrip van dingen, verkeerde opvoeding, verkeerde wil, erfelijke belasting, liefdeloosheid, trauma’s in het verleden, pathologie, ongeval, uiterlijke factoren, zielsziekten, gééstelijke aangelegenheden en  beïnvloeding van geestelijke krachten, entiteiten (wat ook mogelijk is)? We scheren alles over één kam, terwijl er wel degelijks iets te zeggen valt over het goede of het niet goede van eigenschappen, geestelijke dingen, karaktertrekken, neigingen, invloeden, enz., en dat gééstelijke dingen ons wel degelijk heel veel problemen kunnen bezorgen en dat je ziek kunt worden door al deze factoren.  Jaloezie, afgunst, zucht naar macht, trots, regelzucht, egoïsme, hebzucht, wellust, hoogmoed, haarkloverij, zijn zielsziekten, maar wanneer zijn zij dat en in welke mate en in welke omstandigheid zijn eigenschappen goed of niet goed en voor wie geldt dat?  In hoeverre kunnen deze factoren ons leven voordelig of nadelig beïnvloeden. Dát zij ons leven nadelig beïnvloeden is lang niet altijd fijn om te horen. En wat te denken van eigenschappen als bescheidenheid, faalangst, geduld, onderschatting, overschatting, enthousiasme, luiheid, introvert zijn, extrovert zijn, enz.  Wanneer houdt een eigenschap ons op de been en wanneer maakt deze ons ziek? Wanneer mogen we trots zijn op een eigenschap en wanneer moeten we ervoor oppassen.

Ooit hebben we een leidraad (referentiekader) gekregen om te weten hoe we een ‘te’ kunnen voorkomen.  Waar we dit kader niet meer gebruiken, moeten we het zelf zien te redden met onze eigen ideeën hierover en… hoe ons lichaam is. Wat we hiervan vinden is weer afhankelijk van opvoeding, begrip, kennis, omgeving, maar ook van onze wil. Wat deze wil wil, is weer heel persoonlijk en vrij wat dus zorgt voor ontelbare, steeds weer diverse omstandigheden, redenen van waarom dingen gaan zoals ze gaan en hoe je ermee omgaat. Ook voor het ontwikkelen van een juiste wil is ons dat referentiekader gegeven. Als we dit kader niet gebruiken, vervormen of onder dwang hanteren, zal onze wil niet goed gevormd worden.

Allemaal voorwaarden om minder gelukkig te zijn, problemen te hebben of te maken, te verzwakken, belast te zijn, het niet meer zien zitten en ziek te worden.

Grofweg kun je de oorzaak van het ontstaan van ziekten onderverdelen in lichamelijke, geestelijke en externe factoren.

Lichamelijke factoren: aanleg voor een bepaalde ziekte (overerving), aan- of afwezigheid van bepaalde stoffen waardoor een orgaan of weefsel of cel niet meer normaal kan functioneren, verkeerde voeding, gebrek aan nutriënten, voeding, uitputting, vergiftiging, stress van binnenuit door opeenhoping van in het lichaam zijnde gifstoffen, enz.

Geestelijke factoren: karaktertrekken, overtuigingen, neigingen, verslavingen, piekeren/ zorgen maken, angsten, aanleg voor een bepaalde geestelijke ziekte (overerving), maar ook beïnvloeding vanuit een geestelijke wereld of hoedanigheden ( overtuigingen, verwachtingen, eisen, ideeën) van mensen om je heen.

Externe factoren: een ongeval, straling, elektriciteit, vervuiling, gebrek of te veel aan licht, kou, warmte, water, te grote belasting, misbruik van het lichaam, gifstoffen die middels voeding worden aangeboden, inademen van vervuilde lucht of lucht die gebrek heeft aan noodzakelijke voedingstoffen, gebrek aan bescherming, enz.

De indeling is zeer grof. Immers, je kunt je in veel gevallen afvragen of de oorzaak van een ziekte of kwaal een externe factor betreft, een lichamelijke of een geestelijke factor. Voel je je niet prettig door je eigen (negatieve) gedachten, door die van een ander, door onzuivere lucht, je verkeerde voedingspatroon, gebrek aan beweging, te lang leven onder zware omstandigheden, of opstapeling van ellende, enz. enz.

Zolang we niet durven te zoeken naar gééstelijke oorsprong van ziekten en kwalen en altijd de schuld geven aan ons lichaam, aan anderen, de maatschappij, of andere externe factoren, is het lastig om de moed te hebben om zelfonderzoek te doen. Ook het goed kijken naar leefstijl, familiegedragingen en  -patronen, overtuigingen, gewoonten, cultuur, status en samenhangen daarvan met beroepen, gezondheid, doelen, idealen, karaktertrekken, enz., zou kunnen helpen om een rode draad te ontdekken tussen gezondheid en ziekten, hoe je omgaat met gezondheid en ziekte en wat je desondanks die ziekten bereikt … of ook niet!

Er is meer dan je denkt..

Zolang we ons als mensheid echter focussen op uiterlijke zaken, zullen we de innerlijke voorbijlopen en de wezenlijke factor van veel dingen, missen!

Dat ziekten in wezen eigenlijk altijd (ja, je leest het goed) een geestelijke oorzaak hebben, was heel vroeger niet zo onbekend en zelfs gewoon. Nu is dit idee voor velen niet eens de moeite waard om er een gedachte aan te gunnen.

Toch bestaan alle dingen in het leven uit polariteiten. Dat betekent dat er dus eens iets was, waar géén ziekte of ongerechtigheid was.  Door de lange, lange tijden heen zijn mensen zwakker geworden naar geest en sterker geworden naar lichaam.

Eerst was dit anders. De geest in de mens was niet perfect, maar wel veel wetender. De mens die aan het begin stond van de mensheid had zijn hogere zintuigen nog op orde. Hij kon nog innerlijk zien en weten, verstond de taal van dieren, van de natuur en kon zelfs de natuur, het plantenrijk en  het dierenrijk bewust beïnvloeden. Dat kon hij toen nog, omdat hij nog op een goede wijze omging met zijn omgevingswereld. Waar hij zich beschermd wist en vroeg om geestelijke hulp van God, van wie hij toen nog wist dat dat de Bron was van alle kracht, macht en leven, had hij weinig te vrezen en te lijden. Waar de mens door de tijd heen het geloof in en de herkenning van Gods wezen in hem zelf en in alles om hem heen verloor, verloor hij ook de belangrijke kennis en geestelijke kracht, waardoor hij het moest gaan hebben van zijn slimheid, verstandelijke vermogens, zijn lichamelijke kracht. Deze materiële factoren kwamen als surrogaat voor leidraad en houvast in plaats van de bevrijdende factor.

Dit surrogaat ging de mens ontwikkelen. We zijn nu aanbeland bij ontzettend veel kennis op het gebied van beheersing van materie, van het lichamelijke. Maar als offer hebben we moeten brengen dat we nog maar een heel klein percentage van onze gééstelijke vermogens gebruiken.

Daarom zien we niet meer goed waar onze zwakten zitten, willen deze ook misschien liever niet zien, omdat we er anders wat aan zouden moeten doen en ‘niet meer kunnen genieten’.  Ons geweten zegt ons hier vaak genoeg iets over. Maar ons verstand praat heel graag goed, wat we zelf niet zo leuk vinden.

Ook ons lichaam doet eraan mee. Wat we niet kunnen, hoeven we dan niet te doen, vinden we. Wat we niet willen, daar hoeven we niet rouwig om te zijn als we dat niet doen. We noemen dat ‘liefde’ voor onszelf en het leven om mild te zijn. Maar… maken zachte heelmeesters geen stinkende wonden? Is het idee van wat liefde is dat wij doorsnee hebben wel de echte liefde inclusief de ware kennis van het leven? Hebben we van zuivere liefde en ware kennis niet een zeer imperfect, faalbaar beperkt begrip van tijdelijkheid en voorwaardelijkheid gemaakt?

In wezenlijke liefde van het hart is er alleen oneindigheid, en onvoorwaardelijkheid. Dat geldt dus voor alles wat die liefde betreft: Die zuivere liefde is altijd tot je beschikking, als je dat wilt. Er is nooit een tekort, nooit een teveel, nooit een einde, nooit enige beperking, maar alleen acceptatie, geen veroordeling en volop ruimte om te roeien met de riemen die er zijn.

Nu worden riemen en roeien overal vandaan getoverd met veel kunst en vliegwerk, maar waardoor het roeien niet altijd meer een plezier is, of bijna onmogelijk wordt gemaakt, terwijl je denkt dat het je roeien verlicht! Eigenlijk neem je genoegen met veel minder, omdat je de overvloed die er had kunnen zijn, niet kent! Wat je ziet neem je voor waar aan. Wat je niet ziet, bestaat in jouw beleving niet! Dat is een zielsziekte….Een ernstige beperking.

Wat we niet herkennen als waar, hoeven we ook niet aan te nemen. Wat we zelf willen is voldoende. We leven in een tijdperk van: ‘mijn wil zal geschieden’ in plaats van: ‘niet mijn wil maar Uw wil geschiede’.  Anders gezegd: ’wat mijn beperkte inzicht en lichaam mij zegt, wil ik en niets anders. Wat de hoogste liefde die ik niet zie en amper herken, heeft het niet voor het zeggen en moet niet gebeuren, omdat ik denk dat het eenvoudiger, anders kan’. De mens stelt zijn eigen beperking dus boven een bron van onbeperkte wijsheid en levenskracht die ziekte kan voorkomen, sturen en genezen.

We denken de waarheid in pacht te hebben, en denken het onszelf makkelijk te maken, maar we beseffen bijna niet meer, dat we het onszelf erg moeilijk maken, wanneer we denken dat we zelf heer en meester kunnen zijn over van alles en nog wat. Een mens heeft als hoogste goed een unieke vrije wil, waarmee hij zijn unieke geaardheid, wezen, persoonlijkheid kan vormen, gebruiken en delen. Als een mens echter niet goed weet wat waar en goed voor hem is, is het vaak de buitenwereld, de maatschappij, het lichaam of zijn verstand wat hem moet aanraden hoe en wat hij wel of niet doet. Een mens kan behoorlijk de weg kwijtraken in de wirwar van wat het leven te bieden heeft. Veel pogingen leiden tot niets of grote, moeilijke omwegen. Wil je dan herstellen, is er ondertussen wel weer iets anders aan de hand, wat ook weer aandacht vraagt omdat het moet volgens iemand, de maatschappij of jezelf, of lijkt het je toch ook wel de moeite waard. ER zijn legio afleidingen die verleidend werken. Ze leiden je af van je doel, van volmaaktheid en veroorzaken oogkleppen. Soms lijkt iets het beste, maar blijkt het achteraf niet zo goed als het leek. Dat is bijzonder. Waarom moet een mens zoveel meemaken en gaat het leven met zoveel ups en downs gepaard? We weten dat bij het aardse leven, lijden hoort. Maar dat lijden – is gezegd – hoeft er amper te zijn als ieder naar de stem van zijn hart waar de Opperste liefde spreekt, zou luisteren.

Hoe je die stem van die waarheid en opperste liefde zou herkennen, weten velen niet meer. Ook op het gebied van religie, levensbeschouwingen is het zo dat men liever zelf bepaalt wat hij geloven wil.

Dat is ook prima, want de mens heeft een vrije wil, die het hoogste goed is. Maar… om die vrije wil zo goed mogelijk te gebruiken - waardoor je er jezelf en de ander optimaal mee van dienst kunt zijn - is het wel nodig dat je een referentiekader hebt. Dat hebben velen niet meer. Zodra men de wetenschap en menselijke visies als waar en volledig denkt te kunnen aannemen, streeft hij het mooiste, veiligste voorbij. Dat meest zuivere is altijd een gééstelijke waarheid, omdat immers alle verstandelijke ’waarheden‘ discutabel zijn, doodgewoon omdat iets dat uit een menselijk verstand komt, nóóit om die reden 100% waar kan zijn. Een mens is immers – hoe slim ook – altijd beperkt!

Als een mens 100% zou leven uit zijn gééstelijke hart en deze kennis en waarheid die daaruit op zouden borrelen, zou gebruiken, zou hij nooit anders dan zuivere liefde willen doen. Hij zou amper ellende meemaken en veroorzaken..

Zo niet, dan is zijn hartskennis niets waard en vals, omdat alleen zuivere hartskennis altijd alleen maar zuiver liefhebben is. Een mens die ‘het hart werkelijk op de goede plaats heeft‘, bouwt wat hij wil heen om wat zijn hart wil. Hij blijft aan dat innerlijke goede trouw, ondanks tegenstand en tegenslag. Hij draait het niet om! Een mens die geen hoogst referentiekader heeft, en denkt zijn eigen gang te kunnen gaan omdat hij geen hoogste macht in en om hem heen erkent, zal het dus moeten hebben van een beperkte waarheid en beperkte maat van liefde. Omdat geen enkel mens volmaakt is, zal dus ieder mens fouten maken. Hij is immers gebrekkig omdat hij in een gebrekkig lichaam leeft in een gebrekkige materiële omgeving, al is dit lichaam, is die omgeving nog zo prachtig en compleet naar het lijkt.

Gods liefde kan pas in iemand werkzaam zijn, als die persoon dat 100% wil, zoekt en… er ook 100% voor gaat. Bij elkaar is dat nogal wat! Al het lijden wat er ook maar ergens ter wereld of in het universum bestaat, is er alleen omdat Gods geest daar niet 100% werkzaam is. Dat zou wel het geval zijn, als de mens dit 100% zelf zou willen dat het zo is en daar ook naar handelt! Zolang een mens in een materieel lichaam leeft, is hij niet 100% volmaakt. Waar immers 100% zuivere geest zou zijn, kan niet tegelijkertijd een atoom materie bestaan! Dus… horen allerlei vormen van lijden bij het mens zijn. Daar kunnen we niet omheen. We zijn juist mens om de liefde in onszelf perfect te maken, precies zoals de Bron van ons leven is en dit dus wil en dit ons dus gunt.

Ziekte is er zolang een mens fouten maakt. Hij maakt die fouten dikwijls niet expres, sterker gezegd, vaker zelfs onbewust. Hij heeft kennis te kort en is zich niet bewust van wat hem zou kunnen helpen om gezond te blijven of te worden.

Een mens op aarde is op aarde om te groeien in zuivere liefde. Om dat te leren is ziekte nodig in veel gevallen.

Ziekte helpt om:

- het lichaam op te schonen, uit te zuiveren, waardoor het lichaam er weer een tijdje tegen kan en er voorkomen wordt dat het lichaam voortijdig verzwakt, opbrandt of sterft.

- om de ziel te sterken in het loslaten van foute (liefdeloze) overtuigingen, gedachten over het leven, over hemzelf, over de ander, over wat goed of fout is, wat niet moet of wel moet.

- om anderen te helpen meer geduld te beoefenen, meer behulpzaam te maken, kortom om gelegenheid tot goed doen of goed maken te geven.

- als voorbeeld van hoe je een ziekte kunt dragen, hoe je er mee om kunt gaan, er positief door kunt veranderen, je toch een weg weet te vinden dankzij of ondanks je ziekte..

- te voorkomen dat andere, nog meer zwaardere dingen, omstandigheden moeten volgen.

- te voorkomen dat dood op een bepaald (te vroeg) moment zou kunnen intreden.

- te voorkomen dat mensen verharden en doorgaan in een liefdeloze leefstijl waarin het alleen maar gaat om eigenbelang, materialisme, macht, rijkdom, ego.

- niet te oordelen. Immers door het (ver)oordelen zet je dingen buiten jou en de ander, waardoor je geen deel kunt hebben aan het complete leven. Wat voor jou niet in orde is, kan voor de ander nodig zijn.. Jouw weg is niet die van een ander. Wat voor jou niet mogelijk of waar is, is dat voor een ander wel.. Met behulp van het referentiekader kun je ontdekken wat dan voor jou wel of niet het beste is..

De zuivere liefde moet het referentiekader zijn. Zonder dat referentiekader gaat het snel fout en ligt lijden weer op de loer..

Door ziekte wordt men milder, gaat men vragen, gaat men veranderen, gaat men op zoek naar meer, andere, betere waarden, normen, invulling van tijd, enz.

Het doel van ziekte en kwalen is dus dat de ziel zich reinigt van liefdeloosheid en allerlei onwaarheid wat die mens zo belast dat hij  ‘niet uit de verf komt’, zijn leven verknoeit, de ziel vermaterialiseert, waardoor geen sprankje liefde meer gevoeld en gewild wordt en er alleen houvast in de materie ( waartoe ook het lichaam behoort) zoekt.

Er is alles aan gelegen dat ieder mens op welke wijze dan ook leert, dat het om zuiver liefhebben gaat. Waar dat heel lang in generaties daarvoor b.v. door familieveten, bijzondere overtuigingen, bepaalde opvoeding, leefstijl, hebbelijkheden en onhebbelijkheden, enz. er niet van gekomen is, kan het op een bepaald moment zo zijn, dat er te weinig zielsaspecten aanwezig zijn in een embryo, waardoor een volmaakt, gezond lichaam niet meer gevormd kan worden. Zo ontstaan dus verzwakkingen, belasting door ziekten, of zelf het ontbreken van essentiële organen, lichaamsdelen. Een lichaampje wordt immers gevormd uit de overvloedige geestelijke bewustzijnsdeeltjes van beide ouders (in zaadcel en eicel), maar ook van de in dat zaad aanwezige aspecten van voorouders, en uit de lichamelijke voedingsstoffen van het lichaam van de moeder of van de omgeving (middels b.v. voeding, beïnvloeding, omstandigheden, gedragingen, gedachten, enz.).

Uiteraard zijn er ook de uiterlijke omgevingsfactoren waardoor een lichaam belast of verzwakt kan zijn. Toch zou dit niet gebeurd zijn, als een mens geen reden had om middels die beperking te bestaan. Dat houdt dan dus in, dat iemand precies goed geboren wordt, zoals hij is, omdat er blijkbaar geen andere weg was om het anders te doen!  Blijkbaar was, is er iets in de ziel en het lichaam ontstaan dat uitgezuiverd mag worden. Dat is geen straf van God, geen oneerlijkheid, maar een kwestie van overerving van belangrijke zaken die er wel of niet waren en het doel dat ieder mens op unieke wijze, heeft. De mens zelf veroorzaakt zijn of een ander zijn leed en lijden. God, de zuivere liefde doet dat niet. Deze probeert juist te helen, wat ménsen kapot maken in hun onwetendheid, onwil, overtuiging, mening over wat goed of niet goed is.

Omdat ieder mens op aarde leeft met een reden en het verheven doel ooit in de eeuwigheid als zuiver liefdevol geestelijke mens verder te leven,  is het van allergrootst belang dat een mens al zijn beperkingen aanvaardt, leert begrijpen, het verkeerde (ziekmakende) aflegt door het leren, het willen en het doen van dat wat voor hem het hoogst haalbare is op het gebied van liefhebben, dienen van de ander, waardoor hijzelf optimaal gelukkig zal zijn of er – al zal hij niet zo gelukkig zijn –zijn taak mee kan volbrengen. Gelukkig zijn op aarde is niet het hoogste doel, al wordt dat in deze tijd van hedonisme wel geleerd! Het is bijkans niet mogelijk om optimaal gelukkig te zijn. Wel is het mogelijk om met wat je hebt – beperking of gezondheid - met wie jij als uniek wezen bent, de medemens te dienen en hem te helpen om ook zoveel mogelijk lief te hebben. Waar de mensheid dit zou doen en zijn eigenbelang zou opgeven en hij ten dienste van de zuivere onbaatzuchtige liefde zou willen leven en dat zoveel mogelijk zou doen, dan zou alle oorlog, onrecht, oneerlijkheid en ziekte in de wereld amper bestaan!

We kunnen het vele persoonlijke of grote anonieme leed niet meer wegdenken. Wel kunnen we proberen te ontdekken hoe wij persoonlijk dan wel kunnen zorgen voor minder leed en betere gezondheid. Dat betekent ook de verantwoording nemen om zoveel mogelijk zinvol goed te doen voor onszelf en de ander vanuit de vaste wil onbaatzuchtig en zonder veroordeling onze persoonlijkheid in de strijd te gooien en trots zijn op onszelf zoals God de zuivere liefde ons heeft gemaakt en heeft bedoeld. Als we dit streven opdragen aan de macht die groter, sterker is dan wij en die allesomvattend, alleswetend, alleskunnend en eindeloos wijs is, en wij op deze wijze de beperking waarmee wij te maken hebben, kunnen aanvaarden, en veel ellende kunnen voorkomen, is er een mooie wereld te verwachten waarin veel lijden niet meer hoeft.

Sonne Hoover

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *