Waarom Jezus geen minnaressen had. DEEL 1
Er zijn veel boeken en films die grote aandacht trekken. Het boek van Dan Brown, de Da Vinci Code en de verfilming daarvan, horen daar ook bij, alhoewel de piek van aandacht hiervoor voorbij is. Wat mij persoonlijk verbaast - en eigenlijk ook weer niet - is het feit dat mensen gemakkelijker de inhoud van een boek van een gewoon menselijk schrijver voor lief neemt, er serieus praatgroepen rond oprichten en zelfs kerkelijke instituten aan het twijfelen gebracht worden omdat het verhaal zo menselijk is. Zo herkenbaar. ‘Zo van deze tijd en zo logisch… en ach, we moeten ook open staan voor andere denkwijzen. We moeten tolerant zijn’ hoor je dan zeggen.
Misschien hoopt men in het gunstigste geval door deze wijze van benadering een beter beeld van Jezus neer te zetten waardoor meer mensen zouden openstaan voor wie Hij is, wat Hij deed? Of haalt men daarmee juist Jezus’ unieke Zijn, Zijn handel en wandel naar beneden en dicht men Hem allerlei menselijke tekortkomingen en fouten toe, waarmee men het gedrag van de mens meteen maar kan rechtvaardigen ‘omdat Jezus het toch ook deed’? Men ontkent hier en daar met gemak de waarde en de wezenlijke Persoonlijkheid van Jezus, als dat blijkbaar niet uitkomt, onwerkelijk lijkt of gewoon weg niet te doen. Vaak ook neemt men juist Jezus te pas en te onpas aan voorbeeld als het goed uitkomt. Met twee maten meten dus en werkelijkheden uit het oog verliezen. De wáárheid uit het oog verliezen. En als je dan zegt de waarheid te kennen en je zegt dat die waarheid in de bijbel staat, wordt je ineens voor een dogmatisch, goed gelovend naïef christen gehouden, terwijl het met de zelfde vaart naïever is om te geloven dat hetgeen in de Da Vinci Code geschreven meer waar is dan wat er in de bijbel geschreven staat!
Het erge ondertussen is wel - en dat heeft de massa niet door - dat onwetendheid rond Jezus daarmee niet verdwijnt. De massa slikt immers graag de verklaring die hem als onwetende goed en redelijk en vooral menselijk in de oren klinkt. Het goede aan het hele gebeuren zou kunnen zijn dat er mensen bij zitten die wél op zoek gaan naar de waarheid rond Jezus Christus. Er zullen echter weinig mensen zijn die de wil, moed en vooral tijd opbrengen om zelf een mening te gaan vormen met betrouwbare informatie als basis. Je zult de bijbel ervoor moeten willen lezen. Dan nog ben je er lang niet altijd uit. Velen kunnen immers de gééstelijke boodschap in de bijbel niet meer door de letters heen begrijpen.
Ik zal proberen een en ander duidelijk te maken, waarom het niet zo kan zijn dat Jezus minnaressen er op nahield of nazaten verwekt zou hebben. Wel is enige uitleg vooraf noodzakelijk om goed begrip mogelijk te maken. Daar gaan we:
In de tijd van de patriarchen en de antieke wereld was er al de belofte door God gegeven dat er een Verlosser zou komen. De komst van deze Verlosser zou Zijn dood inhouden als Hij de macht van het materiële zou doorbreken door Zijn eigen ménselijke wil totaal op te geven en God in Hem te gehoorzamen. God noemde deze Heiland de ‘Heelmaker’ omdat Hij de weg zou vrijmaken voor de mens om weer terug in God te kunnen komen, waardoor alle dood en narigheid zouden ophouden te bestaan voor die mens die dit wil en gelooft en het voorbeeld dat de Heiland zou geven met Zijn leven, zou proberen na te volgen. De Heiland werd Gods Zoon, of ‘de Verlosser’ genoemd. ‘Heiland’ betekent ‘Heelmaker’. Het zal duidelijk zijn waarom deze naam bij de Verlosser hoort: de leer die deze Heiland (Heler) predikte en Zijn voorbeeld van leven zou de mens verlossen van dát wat kwaad is, dus weer héél maken (ander woord voor genezen). De mens heeft allerlei gebreken. Hij is niet ‘heel’ omdat hij nu eenmaal niet perfect is en dus open staat voor allerlei onwaarheid en liefdeloosheid en een vrije wil heeft om te doen wat hem goed dunkt. De mens die niet volledig kiest voor de waarheid, de liefde (die God is in die mens zelf en zijn medemens), lijdt en veroorzaakt lijden. Zolang de mens dus is afgescheiden van de Heelheid (die God is), is hij beperkt en veroorzaakt hij beperking. Een ander woord voor beperking is liefdeloosheid of ego.
Een mens die denkt dat hij het weet, God niet erkent en dus ook niet kent, alles in de hand heeft, minacht dus de hoogste macht in hem die schept. Hij schept dan dus uit zijn beperking, maar niet uit zijn perfecte wijsheid.
Zonder God schept een mens altijd iets tijdelijks, iets beperkts. Zonder liefde die lijkt op die van God, schept een mens nooit iets duurzaams. Alleen wezenlijke liefde blijft eeuwig bestaan en werkt ergens iets goeds uit. De mens die investeert in beperkte liefde die dus eigenlijk geen liefde is, investeert niet in de overvloed van de eeuwigheid, want hij schept slecht gedeeltelijk en tijdelijk. Daarom is er lijden in de wereld: de mens kan immers alleen vanuit overvloed scheppen als hij zich aansluit op, wil mengen met de alvermogende liefde.
Deze schept dan datgene wat die mens vanuit zijn hart wil, waar dit volgens Gods orde zo moet zijn. Hij schept dan zelfs het onmogelijke. Immers, Gods liefde kan de orde ‘naar Zijn hand zetten’ waar dit het beste voor iemand is, deze mensen uit liefde iets wil, en deze mens hierom vraagt en er stellig op vertrouwt dat dat wat het beste is - al lijkt dit onmogelijk - er zal zijn. In welke vorm, op welke tijd, op welke plaats dit er zal zijn, kan anders zijn dan je dacht of vroeg. Dat zul je open moeten laten.
De liefde heeft alle wijsheid, alle kracht in zich om alles wat nodig is te verbinden met het andere (onbekende, nog niet aanwezige) om dát wat de liefde en wijsheid willen, te laten gebeuren. (daarom zegt de bijbel: bij God is alles mogelijk. Vertrouw op Zijn kracht en wijsheid, wil wat Hij wil en… het zal er zijn!). En… waar liefde is, is natuurlijk niet tegelijkertijd het kwaad, dus… houdt het kwaad op te bestaan als de mens in zuivere liefde iets wil en dit dan ook schept. Een mens die het kwade niet wil, werkt immers ook niet mee aan het kwaad. Hij herkent ook de valkuilen van het kwaad omdat hij door zijn goede intentie van binnenuit weet wat goed of niet goed is. Hij is dus beschermd door wat God in hem laat weten, laat voelen en aanraadt.
Alles wat liefdeloosheid of egoïstisch is, is het kwade. Dat kwaad is dus alles wat de mens afhoudt van Heelheid en versplinterd en beperkt doet zijn en blijven. Kwaad is op zich: gebrek hebben aan liefde en waarheid. Anders gezegd: gebrek aan God hebben. God niet kennen of niet willen.
Jezus Christus, de Heiland zou gaan vertellen van de kracht die zuiver liefde voor God en de medemens heeft. De Verlosser zou voorleven hoe waar dit is. De bijbel beloofde dat ieder mens die die zuivere liefde zoals God dit bedoelde en de Heiland onderwees en voorleefde, in praktijk zou brengen, héél zou worden, waardoor einde zou komen aan de macht die de materie over hem had. Dat houdt dan een eeuwig leven in totale vrijheid zonder enig gebrek, in. Daarom spreekt men ook van de Heiland als Verlosser.
Het doen zoals de Heler leerde, zou dus alle macht van het kwaad in welke vorm ook, doen stoppen. Het ego - de verkeerd gerichte eigen wil om méér om jezelf te geven dan om je naaste, dus te leven vanuit eigenbelangen én de hoogmoed te denken het zonder God te kunnen stellen of te denken dat Deze niet bestaat, heeft op zich al het kwaad tot gevolg omdat egoïsme en hoogmoed géén liefde is.
Alles wat niet Liefde is, moet dus omgevormd worden tot liefde, waardoor de mens die gebrek aan liefde heeft, dus automatisch meer compleet (héél) wordt. Door egoïsme en hoogmoed - waar alle kwalijke karaktertrekken en handelingen uit ontstaan - verwijdert de mens zich van God die perfecte Liefde is. (‘zolang de mens God niet kent en liefheeft, kan hij God niet naderen’).
De mens lijdt dus gebrek in allerlei vormen en gradaties, waardoor hij meer of minder verdeeld raakt. Het doel is dat hij weer héél wordt, dus de liefdeloosheid in wat hij wil, gelooft en doet, loslaat.
Alles wat tegen de liefde en waarheid in gaat, bezorgt verdeeldheid en gebrek, wat lijden is.
Het groeiproces van het eigen maken van liefde, maakt de ziel meer en meer heel, licht en vrij. Ze gaat dan dingen zien en weten waardoor ze steeds betere keuzes kan maken. Ze onderscheidt dan immers beter wat goed en waar, of niet is. Ze kan dan steeds beter omgaan met allerlei misstanden, onrecht, dreigende gevaren. Deze ziel weet dan dat er méér is dan een tijdelijk lichamelijk bestaan en zal bóven de materie en haar bijbehorende begrenzing gaan staan. Dat maakt dat zij zich vrij voelt en geen slaaf meer van wat de wereld wil, zegt, doet, maar trouw blijft aan wie zij wezenlijk is, ongeacht welke problematiek ook! Om dit te kunnen zul je dus vanuit je hart een keus voor God moeten willen maken. Anders red je het niet in deze wereld die zoveel impact op ieder individueel mens heeft. Uiteindelijk wordt de mensenziel die er voor gáát, zelfs gelijk aan Gods geest als ze alle onechtheid (liefdeloosheid, ego) heeft afgelegd, waardoor er een onlosmakelijke eenheid is gerealiseerd, waarbinnen alles mogelijk is en alles wordt gekend. Alles in de ziel is dan puur, echt zoals God, de waarheid in die mensenziel is. De Verlosser brengt deze boodschap van de liefde en leeft vóór wat de weg tot God is.
De grote taak van Jezus Christus was de mens tot voorbeeld te zijn. Dat was nog niet eens het allerbelangrijkste. De bijbel deelt immers al overduidelijk mee hoe de mens dient te leven, wil hij vrede en voorspoed ervaren. De gróótste taak van Jezus was het laten zien dat alleen de macht van de onvoorwaardelijke liefde ervoor zorgt dat materie, liefdeloosheid geen enkele kracht heeft, als die liefde onvoorwaardelijk in praktijk gebracht wordt. Anders gezegd: Hij liet zien dat God alle macht heeft, maar niet het kwaad, satan, de duivel. Nog weer anders gezegd: Hij liet zien dat alleen onvoorwaardelijke liefde het wint van alle niet-liefde.
Een simpel voorbeeld: als je geen liefde voor een pruim hebt, dan hoef je hem ook niet. Kunst is het om alles wat voedzaam is, te willen eten, zodat je nooit honger hoeft te lijden… Deze les (aanvaard wat er is, duldt wat jij niet wilt of kent, wees tevreden, verbindt je met het andere wat jou niet altijd zint’) was voor de antichrist bedoeld.
In Gods centrum is alles, maar dan ook alles perfect in evenwicht. Daarom merk je polariteit niet op en lijkt dit niet te bestaan. Satan, de antichrist is ontstaan uit bewustzijn (grote verzameling Geest uit God) dat dacht buiten God, de Liefde te kunnen leven. Omdat deze ziel geen deel wilde hebben aan Gods heelheid, zonderde het zich af van de liefde, waarmee liefdeloosheid feit geworden was. Het evenwicht waarin totale rust aanwezig was, raakte naar buiten toe op de achtergrond. Verdeeldheid werd feit en rusteloosheid ontstond. Antichrist is dus niets anders dan liefdeloosheid, verdeeldheid, rusteloosheid en onwetendheid. Immers, als je geen deel wilt uitmaken van de bron waar alles is, zul je het moeten doen met veel minder, al naar gelang je zoekt wat je dan wél wilt.
God kon niets anders doen dan dit bewustzijn zijn zelfgekozen weg te laten gaan en wachten op het moment dat dat bewustzijn zou inzien dat het zich nooit compleet en vrij zou kunnen voelen zolang het zich uit vrije wil buitensloot van Gods liefdeslicht. Dat bewustzijn zou dus zelf moeten gaan ondervinden wat het is om zonder Gods kennis, kracht, liefde te moeten leven. Dat gebrek hebben hóórt bij afgescheiden zijn van God, zal logisch te bedenken zijn. Immers, als je de waarheid deelt, krijg je gedeeltelijke waarheid die daarmee niet meer waar en wezenlijk echt is, omdat je alleen maar te maken hebt met een deel ervan. Je dénkt evenwel dan dat deel ‘alles’ is en komt in de waan, ilussie te leven dat je alles hebt, weet en kan en sluit daarmee het andere (wat je nog niet kent, vergeten was, niet wil) buiten. Door dat buitensluiten kun je logischerwijze niet heel zijn, dus lijdt je gebrek. Zolang je dus een deel van de complete waarheid niet erkent, niet zoekt, zul je veroordelen, dus de échte volmaakte waarheid verdelen in schijnwaarheden en dus niet kennen!
Dit is de betekenis van de volgende bijbeltekst: ‘de mens die oordeelt, zal veroordeelt zijn. Hij zal niet het leven kennen en God niet kennen (het licht niet zien)’.
God die onophoudelijk zijn liefdeslicht laat uitstromen, vormde uit al die delen bewustzijn die de weg kwijt waren, lichamen van allerlei soorten en maten. In talloze levensvormen leeft dit onnoemelijk groot deel afgezonderd (zondig) cluster bewustzijn zijn leven en leert onderwijl wat het is om beperkt te zijn in en middels de materie. Door al dat lijden door al die beperkingen (ziekte, ongemak, gevaren, problemen, geboren worden, doodgaan…) zoekt dat bewustzijn zich een weg. Dat bewustzijn wordt gedreven een weg te zoeken uit de ellende, want dat is de drive in al wat bestaat. Het bewustzijn is immers nog steeds afkomstig van God en dus… van perfecte liefde en wil zich dus onbewust vervolmaken, al weet die cluster dat niet meer en wíl dat cluster dat ook niet! De drang van volmaaktheid en volmaakt te worden is Liefde, die al wat afgezonderd was en is, verbindt en wil thuisbrengen in de Bron van waaruit het bewustzijn ooit kwam en nog steeds bij hoort!
De drang in iedere levensvorm is en blijft… liefde. Liefde is niets anders dan vrij, echt, heel worden, los van oordeel, verdeeldheid, beperking van welke aard ook. Ieder mens heeft de vrije keus dit op zijn wijze te doen. Kent hij God, dan zal dat proces echter makkelijker zijn omdat hij - als het goed is - behoed wordt voor veel misstappen en egoïsme.
Daarbij - bij dat zich een weg zoeken uit ellende en moeite - is het altijd weer het doel om ánder bewustzijn op te nemen en het eigene los te laten, om te vormen ten dienste van dat ándere bewustzijn, waardoor de levensvorm toeneemt aan kennis, kracht, bewustzijn. Een levensvorm ontwikkelt zich dus door zich te verbinden met ander tot dan niet gewaardeerd, niet gekend, niet gewild bewustzijn.
Het gaat er dus om niet het eigene te versterken met het gelijke (egoïsme), maar te groeien door het onechte af te leggen, zodat het meest echte sterk wordt, wat lukt als er de bereidheid is om dat andere niet meer te veroordelen (te minachten) maar er te laten zijn of het op te nemen om er sterker, eerlijker, echter, liefdevoller door te worden. Zo dient dan alles elkaar. Dat is de levenswet die God is: eeuwige ontwikkeling en groei door toenemen aan liefde, door het andere niet te veroordelen, maar het er te laten zijn en waar dit liefde is, dit op te nemen tot wederzijds nut.
Polariteiten houden dan op te bestaan, maar het unieke, diverse blijft dan het prachtige middel waardoor alles kan zijn wat het is zoals God dit heeft bedoeld en nog bedoelt..
De mensenziel is uiteindelijk voortgekomen uit niets anders dan afgezonderd bewustzijn. Deze ziel heeft de geest van God in zich, waardoor ieder mens - als hij zich hiermee wil verbinden wat lukt door liefhebben van God en naaste - de juiste kennis, kracht en kunde zal hebben en krijgen om er zijn werk mee te doen, zoals dit in hem door hemzelf zoals God dit in hem wil, wordt gewild.
Het afgezonderd bewustzijn in het totaal is de immens grote ziel van satan die als ziel verstrooit in de materie zijn benauwdheid in het afgescheiden zijn van de liefde, ervaart. De gehele schepping is niets anders dan bewustzijn dat ervoor koos om buiten Gods wijsheid en liefde te leven. De gehele schepping, het gehele universum is dus opgebouwd uit bewustzijn dat ervoor koos zich af te zonderen van de zuivere liefde (God). Dit is ook ‘het zondig zijn’ van al wat in de schepping is. De mensenziel is dus ook zondig. Anders gezegd: Zij is afgezonderd van de zuivere liefde en maakt haar eigen idee en golflengte van ‘liefde’. Zij kent niet meer de échte ware Liefde (God). Wanneer een mens zijn eigen regels en wetten begint te maken, is de stap dat de mens denkt dat God (wezenlijke Liefde) niet bestaat, of niet nodig is, snel gemaakt. Dat denken maakt de mens open voor alle vormen en gradaties van liefdeloosheid. Als een mens geen referentiekader meer heeft om aan te toetsen wat echt waar en wezenlijk liefde is, waar toetst de mens zich dan aan, hoe weet hij wat waar of goed is en wat wordt dan zijn doel?
Doodsangst, angst voor verval is iets eigens dat hoort bij ieder mens die nog niet is wedergeboren. Immers, angst, beperking, dood horen bij het bewustzijn dat afgescheiden is van God en dus de zuivere liefde die God is niet meer kent. Hij probeert dan mogelijk die heelheid te bereiken, maar zolang deze mens nog onderhavig is aan de materie, ego, zal er angst en verval zijn! Angst in welke vorm dan ook is tegelijkertijd nodig om voorzichtig in dingen te zijn. Zonder angst zou een mens alles wel willen kunnen doen. Er moet dus enige angst zijn om het leven vol te houden. Echter, zodra een mens weet dat hij méér is dan zijn lichaam, blijft gezonde angst die beschermt tegen onnodige acties en lijden over en ebt onnodige irreële angst weg! Angst is de diepe angst niet bij God te horen, niet geliefd te zijn, niet beschermd te zijn. Satan is zelf één en al angst, waardoor hij ook alles op alles probeert te zetten om mensenzielen voor zich te winnen. Hij voelt zich dan immers meer compleet en meer gesteund in zijn eigen waan, plannen en doel. Omdat wij gemaakt zijn van dit afgescheiden bewustzijn, ervaren we dus allemaal angst en verval!
Het bewustzijn dat zich afsplitste van de zuivere heelheid werd dus ontrouw aan het ZELF - God, zijn bron van leven (het leven zélf) - en koos voor het beperkte zelf, het ego, dat wat hij kende en hem uitkwam (eigenbelang).
Al wat wij zien in materie, dichtbij of ver weg, maar ook de zielen en geesten van hen die óók niet kozen voor de liefde - de enige Waarheid van God - behoren vooralsnog bij de ziel van satan, de gevallen lichtdrager…. totdat die ziel boven de aantrekking van materie, liefdeloosheid en ego gaat staan. Satan dacht in zijn hoogmoed te kunnen leven buiten God en trekt zijn eigen plan om de mens te strikken voor zijn rijk van liefdeloosheid.
Het is Gods liefde - en Gods orde (God kan niet anders zijn dan Hij is. Je kunt van Waarheid geen leugen maken al wil je dat) - dat satan ook verlost gaat worden. Ieder wezen uit God heeft echter een vrije wil. Ook satan. Uit de ziel van satan is alle materie in welke vorm dan ook, voortgekomen. Ook dus de mensenziel.
De mens is dus niet per definitie slecht, satanisch zoals mensen soms kunnen denken, maar het bewustzijn waaruit zijn ziel en ook zijn lichaam is samengesteld is ooit wel de weg kwijtgeraakt en voor haar idee ‘buiten’ God terecht gekomen. Verlossing uit die verdeeldheid en afgescheidenheid is alleen mogelijk door het ego - dat wat je afhoudt van God - los te laten en het meest diepe echte in je wezen (dat God is) lief te hebben.
Het evangelie, de bijbel is er om de mens een handleiding te geven hoe de weg uit het dal van lijden, beperkt zijn en verdeeld zijn naar vrede en opperste vrijheid en heelheid gegaan kan worden. Zolang de mens in de materie leeft, is hij afgescheiden naar lichaam.
Zolang de mensenziel liefde tekort heeft en God niet kent, lijdt ook de ziel en kan ze niet heel worden, dus blijft zij afgescheiden. De ziel kan - om toch met de tijd heel te worden - in de geestelijke werelden verder groeien, maar het is makkelijker om op aarde al Gods liefde als doel te hebben en ook te dóén.
Dat het nodig is om God Zélf dan te willen aanvaarden en dus te moeten kennen, zal logisch te bedenken zijn.
Om de mens een keus te laten en te helpen dit proces te gaan maar ook te laten weten dat er leven is na de geestelijke dood en te onderwijzen wat er nodig is om onder de wetten van de materie uit te komen, had God een machtig plan klaar staan: Hij schiep Zich een lichaam in de vorm van het mensenkind Jezus.
Deze Jezus Christus zou de wil van de Vader in hem geheel moeten doen, om daarmee een mega deel van satans macht te ontnemen, zodat satan nooit maar dan ook nooit meer de macht zou houden over de mensenziel.
Het is dus een ultieme liefdedaad geweest van God om Zichzelf - Zijn Kern - te beperken in een lichamelijke mens die ook nog eens zó miskend zou worden en gedood zou worden terwijl hij totaal onschuldig was maar Schepper was en is van al! Deze vernedering dat Jezus uit trouw en deemoed (tegenstelling aan de aard van alles wat satanisch, het kwaad is) niet zou kiezen voor de verleiding, de eer, het gemak (eigenschappen van het ego, het kwaad) ontnam satan voor altijd de macht over leven.
Zou het offer van God in de Jezus nooit gebracht zijn, dan zou de mens altijd slaaf zijn gebleven van de wetmatigheid van de materie. Immers, alle materie is gevormd uit satans bewustzijn en zou nooit meer héél kunnen worden en dus nooit in een volstrekt vrij geestelijk leven vol bewustzijn kunnen door ontwikkelen, omdat hem immers kennis en kracht zou ontbreken.
Hoe meer de mens kiest voor liefde (van God) des te minder macht satan (ego) daarmee vanzelfsprekend krijgt. Het kwaad krijgt immers minder aanhangers als meer mensen tégen liefdeloosheid en onwaarheid kiezen. Satan staat dus voor alle onwaarheid, het goddeloze omdat hij de Liefde niet wil kennen, terwijl de Liefde het enige is dat bestaat en werkelijk eeuwig leven en bewustzijn geeft. Satan doet alsof hij macht heeft en schept. Ja, hij schept zolang een mens zich voor hem leent! Daarom heeft God ook gezegd: ‘volg alleen Mijn wil opdat het u wel gaat’.
Ieder mens dient persoonlijk in zijn aardse leven de keus vóór of tégen de liefde te maken. Dat kan ieder mens in ontelbare situaties oefenen. Omdat de mens verstrikt zit door de loop der jaren in zijn ego en uiterlijke - en dus ook verstandelijke - zaken, en doorgaans slaaf geworden is van de materie die lijkt alle plezier, welvaart en vrijheid te brengen, is het moeilijk voor de mens om iets anders dan wat de ziel en het lichaam willen, te kiezen.
De mens zijn lichaam is uit het meest verstokte satanische bewustzijn gebouwd. Dat bewustzijn moet nog leren dienen, maar wil alleen maar heersen.
De mens zijn ziel is samengesteld uit al wat minder verstokt bewustzijn uit satan. Dit bewustzijn is al wat milder en leert al dat er te kiezen valt. De wil is echter wel heel zwak en waait alle kanten op met alle gevolgen van dien, dat de ziel zichzelf straft door haar verkeerde keuzes. Vaak betreft het keuzes die ingaan tegen wat de Geest (Gods stem) in de mens zelf (in zijn hart, geweten) hem laat weten. Een dergelijk mens kiest dan eerder voor verstandelijk redeneren, wat anderen ervan vinden, wat beweerd wordt, wat ‘moet’, wat ‘hoort’, wat zijn lichaam wil en zijn zwak, angstig, twijfelend gemoed. Dat alles houdt hem van zichzelf, zijn ware aard af, waardoor hij onecht is en dus God niet optimaal door zich heen kan laten werken. Hij doet dan dus zichzelf, zijn medemens, maar ook God tekort, want hij deelt niet van zichzelf, maar van een ’onecht’ nep-zelf dat in leven gehouden wordt door onwil, onwetendheid, egoïsme of hoogmoed.
De mens zijn geest is een zuiver deel van God zelf - Zijn geest - mee in ieder mens. Dit deel dat als kiem in ieder mens aanwezig is, dient ontwikkeld te worden. Het ontwikkelen van die kiem is alleen mogelijk door het volgen van de onvoorwaardelijke liefde die God, heer en meester is en deze in praktijk te brengen, dus het goede te doen.
De eigen wil moet dus opgeofferd worden hieraan, omdat de eigen wil je juist afhoudt van wie je ten diepste bent! Dat is zo, omdat de eigen wil juist de reden was waarom de mens zich van God verwijderde. De mens zal dus God onvoorwaardelijk dienen te volgen, wil hij zijn ziel gelijk maken aan Gods geest in hem. De geest vertelt dan deze mens (via het hart, het steeds zuiverder geweten) hoe of wat, waardoor allerlei tegen de liefde indruisende zaken voorkomen kunnen worden. Lijden stopt dus daar waar Liefde is… Liefde is de enige waarheid.
Omdat God de enige onbegrensde waarheid is, dient de mens dus Gód te volgen, of te wel: de Waarheid die Liefde is zonder grens. Het is dus zaak dat de mens zoveel mogelijk wil en doet wat God in hem wil. De mens dient dus nét als Jezus zijn eigen beperkte (liefdeloze) wil op te geven en Góds wil die altijd liefde is – dus het goede is, al lijkt dit ons ‘fout’ te doen! Logisch is het dat allerlei lijden daarmee voorkomen wordt.
God gaf de eerste mens dus:
- een ziel (het uniek persoonlijk menselijke karakter met diens talenten, sterkten en zwakheden, genomen via de natuurwegontwikkeling van satans ziel. Deze delen van bewustzijn zijn de al betere delen die al wel bijna, of twijfelend de liefde zoeken of kennen.
- een lichaam dat bestaat uit nog zeer hoogmoedige, starre bouwstenen uit satans ziel die totaal nog niet (kunnen) weten en willen doen wat liefde is en die in het lichaam zijnde, de ziel van de mens moeten dienen in het moeten uitvoeren wat die ziel Hierdoor leert dit bewustzijn zichzelf te verloochenen en leert het te dienen. Het leert dus deemoedig te zijn in het God te volgen, door wat hem in liefde wordt opgedragen, uit te voeren. Een voorbeeld: een mens die liefde heeft voor chocolade zal het lichaam (bewust of onbewust) opdragen de chocolade uit de doos te nemen en het op te eten. Zonder liefde voor de chocolade zou dit niet mogelijk zijn. Het lichaam stelt de ziel in staat om op aarde te zijn, haar lessen te leren en de kwaliteiten van de ziel uit te bouwen en uit te drukken wat moet inhouden te groeien in liefde, dus het kwaad uitbannen, niet willen. Dat is het offer dat ieder mens moet brengen wil hij dus na zijn lichamelijk leven eeuwig leven in volstrekte vrijheid, weten en kunnen (‘bij God in de hoogste hemel zijn’).
- een Geest.. Deze vonk van God is totaal volmaakt. Het is een bepaald déél uit God waaraan de ziel - die dat wil - gelijk kan worden (ziel en geest zijn een soort alter ego zoals men dat wel noemt). De mens is dus goddelijk. Dat wil zeggen dat hij inderdaad uit God is. Daar mee mag je nog niet zeggen dat je God, volmaakt bent, ‘of dat alles goed is’ zoals velen in deze tijd beweren…
De mensenziel moet dus een keus maken tussen:
- gelijk worden aan Gods geest in haar of;
- aan satans geest (de onzuivere delen van de ziel);
- of die van het lichaam (de meest egoïstische, grofste onzuivere delen uit Satan).
Waar de mens kiest voor de niet-liefde zal haar ziel meer en meer gelijk worden aan de grove bouwstenen van haar lichaam en verstoffelijken (meer materieel worden): meer verdierlijken. Deze mens leeft maar raak. Het maakt hem niet uit of zijn denk- en leefstijl ongelukkig maakt, als hij maar zijn tijdelijk plezier of gewin heeft.
Satan, het kwaad, het egoïsme, maar ook de beperking en onwetendheid winnen dan in haar.
De ziel zal minder en minder willen en kunnen liefhebben en zich niet dienend opstellen en dénken alles te kunnen, te mogen, te willen. Het gaat bij deze ziel om egoïsme en hoogmoed: Alles voor zichzelf. ‘Eerst ik en ik moet gediend worden. Ik ben mijn eigen god’.
Waar de mensenziel kiest voor de liefde zal de ziel vergeestelijken, lichter worden en meer en meer de materie ontgroeien en meer één worden met God, waarbij de geest van God in haar, haar ziel meer en meer verlichten gaat, waardoor de ziel meer en meer zal begrijpen en weten omtrent al wat is, geestelijk en materieel gezien. Deze mens zal zich dienend opstellen en zijn echte eigen uniek zijn (zijn waarde (dat van God is)) delen met de ander tot wederzijds belang en innerlijke groei. Hij beleeft zijn lichamelijkheid met als doel een goed mens in God te zijn, maar zal geen slaaf zijn van zijn lichaam, het goed besturen volgens Gods wil zoals dit is voor die mens.
Waar de mens als kind wordt opgevoed in Gods leer en het kind deze leer bevestigd ziet in het gedrag van de ouders, in het gezinsleven en het kind bemoedigd wordt om Gods geest in zichzelf te ontwikkelen, waarbij het meest wezenlijke in het kind gerespecteerd en geliefd mag zijn en ontwikkeld mag (dient te) worden, zal de geest in de ziel vanzelf het voortouw (leiding) nemen omdat het kind immers herkent dat wat de geest in het hart zegt waar en goed is. Het kind zal liefde voor zichzelf (de echte waarheid in haar), voor God ( de onvoorwaardelijke liefde) en voor het echte in de medemens ontwikkelen en daardoor respectvol, behulpzaam en dienend zijn leven willen leven, zonder daarbij overigens zijn meest unieke eigenheid te verloochenen. Dit eigene is immers van God wat de mens juist komt uitdrukken in dit levenen die mens maakt tot wie hij is!
Waar het kind géén kennis maakt met God die liefde is en géén onderscheid leert tussen goed en kwaad, teleurgesteld wordt in liefde en waarheid, zal het beschadigd zijn weg moeten zoeken in de wir war van het leven. Het kind zal steun ontlenen aan uiterlijke factoren en anderen en niet vertrouwen in de waarheid in zichzelf die van God is, want deze persoon weet, gelooft niet dat in het hart het geweten, de stem van God is… als deze persoon dit immers niet wil en niet gelooft dat dit zo is! Het kind zal gemakkelijker uitgroeien tot een hoogmoedig, egoïstisch mens dat via meer lijden dan noodzakelijk, de niet-liefde, dus ego, antikracht, onwaarheid, waardeloosheid, betrekkelijkheid moet leren overstijgen.
Geen mens ontkomt tijdens zijn mensenleven aan de verkenningstocht rond goed en kwaad. Daarvoor is hij juist hier. Maar de vraag is en blijft niet: ‘Wat noem jij kwaad, wat noem jij goed’. Je zult je zo deemoedig moeten willen opstellen dat je vraagt: ‘Wat noemt Gód kwaad of goed en hoe kan ik dat volgens mijn kunnen en bevatten zo goed mogelijk gestalte geven’. Een mens heeft uiteindelijk niet veel aan eindeloze menselijke meningen en regels. Mensen noemen vanuit hun beperkte ervaringen, begripsvermogen en wil, dingen telkens weer goed of niet goed afhankelijk van tijd, mening, voorkeur. Gods adviezen en orde is tijdloos altijd hetzelfde en niet veranderlijk. Die van mensen is tijdelijk, veranderlijk en afhankelijk van van alles, dus beperkt. De mens heeft een referentiekader nodig! Dat kader heeft God in de bijbel en middels Jezus Christus gegeven. Ook andere wegen (religies, levensbeschouwingen, leiden tot God, waar de onbaatzuchtige liefde het doel is en blijft. Alle eigenbelang, valsheid, heerszucht, hoogmoed, uiterlijke belangen, hang naar materie tenzij deze laatste belangen de innerlijke ziel dienen), rituelen, dode gebruiken enzovoort, dienen dan worden afgelegd.
Dit was in het kort even nodig om het komende beter te kunnen begrijpen.
Het tweede deel volgt binnenkort.
Gera Hoogendoorn-Verhoef